|
Wat is je hand nu klein en koud. Hij was al nooit zo groot en warm,
nooit zo erg vertrouwd. Je greep verbeten naar het glas om te vergeten
hoe 't was.
En ook je oog zo bleek en dof, alsof je al bijna niet meer kijkt, verijld
bent in het stof. Je gaf nooit erg veel om mij, maar is alles daarmee
dan voorbij?
Je zou nog kunnen praten nu, ons niet zo laten staan. Iets wat je voelt
of zo, je kunt niet zomaar gaan. Kom uit je donker hol, scheur je ziel
uiteen. Maar je zwijgt en blijft alleen.
Je sprong op tafel met je lied. Ze zongen mee en toen niet meer en dat
begreep je niet. Het was de tijd en z'n verraad en je werd stil en bang
en kwaad.
Je zou nog kunnen praten nu, ons niet zo laten staan. Iets wat je voelt
of zo, je kunt niet zomaar gaan. Kom uit je donker hol, scheur je ziel
uiteen. Maar je zwijgt en blijft alleen.
Hoe zal ik zijn als mijn uur komt? Misschien wel net zo uitgewoond, verduisterd
en verstomd. Onder de dekens op m'n zij, om me te verbergen zoals jij.
Je zou nog kunnen praten nu, ons niet zo laten staan. Iets wat je voelt
of zo, je kunt niet zomaar gaan. Kom uit je donker hol, scheur je ziel
uiteen. Maar je zwijgt en blijft alleen.
|