Lente in de oude stad

In de vuile krocht,
Waar dronken waanzin het feest viert
Van het onmogelijke leven,
Bloeit tussen twee gipsplaten, achter een glazen deur,
Met lange, blanke benen
De Poolse Roos.

Haar zachte, stevige rondingen van de weemoed
Blinken in het vragende licht.
Een bijbels schijnsel omgeeft haar zuivere lijnen.
Haar onbezoedelde buik nodigt kinderlijk bollend
De brallende kudde verdoolde varkens uit
Zijn gore onrust in haar weg te schokken.

Door de bloesem die van de bomen waait,
Vaart over de gracht de witte boot der goede levens
Als in een droom aan haar voorbij…

Laat maar.
Eens werd zij door de grote liefde
Als een gerafelde dweil in de sopemmer gesmeten,
Maar nu wordt zij bij elk afscheid
Met zachtaardige briefjes van vijftig getroost.

Ware schoonheid groeit tegen de verdrukking in.
De hele zomer zal zij bloeien
Vanuit haar kapotte hart
En teder glimlachen naar de gedoemde sterren.