|
Door Hans Nauta
Het is een opvallende parade, die zanger-muzikant
Alex Roeka voorbij laat komen in een broeierig stadstoneel. Orgel,
drums en gitaar jagen hem op, terwijl in zijn stem zowel verontrusting
als verbazing klinkt.
Daar is Big Daddy Vetpens, die bulkt van het goud en voor zijn leven
moet vrezen. De dwerg uit Hamburg en Willy zijn vriend, die niet
meer met elkaar praten, duiken even later op. En zie, Jules uit
de Junksteeg, geheel in het zwart, de armen wijd als een kraai aan
het kruis. Terwijl ook vader Christoffel voorbijschuivelt, en tegen
de duivel roept: 'Ik weet waar je bent'.
Hun namen kregen ze van Roeka, maar ze hebben wel degelijk echt
bestaan, de figuren uit dit lied 'Brand in het hart van de stad',
dat door de volheid van beelden en de vaart Roeka's persoonlijke
favoriet is op zijn vijfde cd 'Hadeskade'.
Ze zijn gebaseerd op ontmoetingen en observaties in Amsterdam, zo
rond de Warmoesstraat en in havensteden overal in de wereld. "Nog
kom ik wel in kroegen waar bijzondere karakters rondhangen, echte
outsiders. Of ik ga naast ze zitten op een bank, en luister naar
hun gesprekken." In het echt zijn ze even eigenaardig als in Roeka's
liedteksten. "Of misschien worden ze dat vooral door mijn blik.
Zoals ook Jeroen Bosch of Brueghel de curieuze eigenschappen van
hun figuren konden uitvergroten."
De vele songs van Roeka vormen samen een 'autobiografische liederencyclus'.
Er zijn nog wel wat gaten in de tijd te dichten. Zoals zijn negen
jaar kostschool in Oss en Venray. Daar werd de muziek in hem wakker
geroepen toen hij op tienjarige leeftijd Little Richard vanaf een
pick up 'Long Tall Sally' hoorde zingen. "De kostschool heb ik ervaren
als een vreemde, van de samenleving afgesloten gemeenschap, die
maakt dat je je terugtrekt in een eigen droomwereld."
Hij ging psychologie studeren in Nijmegen, rondde dat later af in
Amsterdam, maar voelde dat hij eerst naar zee moest. De biografie
op zijn website beschrijft die wilde tijd staccato als morse code:
'Werkte op een sleepboot in de Adriatische wateren. Werd door een
Italiaanse koningin van de betaalde liefde ingewijd in de geheimen
van de erotiek. Vatte een onmogelijke liefde voor haar op. Werd
van boord gezet en maakte een reis door Italië, Noord-Afrika en
Spanje. Kwam uiteindelijk in Genua terecht.'
Daar monsterde hij aan voor twee reizen naar West-Afrika. Later
vertrok hij vanuit Singapore naar zuidoost Azië en Japan. Terug
aan wal belandde hij in de buurt van de Warmoesstraat. "Een schimmige
wereld, die authentieker, echter en eerlijker lijkt. Iedereen doet
er wat hij wil, omdat het toch weinig uitmaakt."
Hij vraagt zich soms af waar die fascinatie voor de schemerkant
vandaan kwam. "Misschien heb ik me van dat goede milieu afgekeerd
omdat mijn ouders me naar kostschool hadden gestuurd."
In die tijd, toen hij steeds dieper in de stad wegzakte, voelde
hij zich prettig 'ongebonden'. "Maar die onthechting gaat op een
gegeven moment over in verloedering. En dat merk je als het bijna
te laat is." Op een gegeven moment zei hij tegen zichzelf: 'ik wil
een ander leven'. "Dat is niet gemakkelijk. Je moet van verslavingen
en van sommige mensen afkomen, en een stabiele wereld vinden. Daar
heeft het Nederlandse lied me enorm bij geholpen."
Zijn eerste cd 'Zee van onrust' verscheen in '1996'. Daarna kwamen
'Wildernis', 'Wolfshonger', 'Schemerdrift' en nu 'Hadeskade'. In
2000 kreeg hij voor het lied 'Noem het geen liefde' de Annie M.G.
Schmidtprijs voor het beste theaterlied. Zijn muzikale helden komen
vooral uit de jaren zestig. "Bob Dylan, Randy Newman. Later kwamen
Tom Waits en Steve Earle daar nog bij." Sinds enkele jaren neemt
Jacques Brel de toppositie in. Wat Roeka van hem leert is dat hij
zijn eigen 'zeggingskracht' wil vergroten. Even onontkoombaar worden
in zang en in teksten als Brel. "Maar op mijn eigen wijze."
Nog altijd is hij rusteloos. "Maar nu gebruik ik dat voor iets creatiefs.
Nadenken, me terugtrekken op mijn kamer met gitaren, boeken en cd's.
Songs schrijven, spelen met de band, theatertournees. " Omdat hij
voor veel teksten uit zijn vorige leven put, was dat 'geen verloren
tijd'.
Roeka weet wel dat je de onderwereld niet te veel moet romantiseren.
"Zo schetst de Engelse gevangenispsychiater Theodore Dalrymple een
beeld van een totaal krankzinnige en misdadige onderklasse. Een
keiharde, geschifte wereld van verkrachting, incest, bedrog en geweld,
waar je ver vandaan moet blijven. Tot op een bepaald punt is de
schemerkant in zijn algemeenheid interessant. Ik gebruik bepaalde
beelden uit die wereld graag als metafoor. Zo'n maf verhaal als
in het nummer 'De Sloeberbruid', over een vrouw in vodden die Wolfman
ontmoet in de struiken bij het slachthuis: ik denk dat de liefde
in de Vinexwoningen ook zo kan zijn. Even gek en geschift als in
die struiken. Daar hangt dan alleen een gordijn van schone schijn
voor." Soms, als hij in Rotterdam bij Hotel New York het water overkijkt,
roept de zee nog wel eens. Hij zou best weer op reis willen. "En
dan 's nachts weer aan komen varen op Hong Kong." Dat komt later
misschien. Maar het gevoel heeft hij alvast beschreven in 'Ik hou
van…':
'Ik hou van de diesel die stampt door het duister / In het midden
van nergens met de fles aan je mond. / En de vrouwen vliegen naakt
rond de stuurhut / En je jankt als een luizige hond. // En je waggelt
je dwars door het eind van de wereld / Een grom aan de reling, een
hikkende spat. / En de ochtend breekt open met het wit van de meeuwen
/ En op de einder trilt weer de stad'.
|